De Franse tijd

In 1795 vielen de Franse troepen van Napoleon de Republiek der Verenigde Nederlanden binnen en werd de Bataafse Republiek opgericht. Toen in 1806 Napoleons’s broer Lodewijk Napoleon koning van Nederland werd, werd het Koninkrijk Holland gevormd.

Napoleon voerde o.a. de dienstplicht in, de zogenaamde conscriptie van 1811. Jongemannen van 20 jaar konden worden ingeloot voor de dienst. Tussen 1810 en 1813 zaten veel jongemannen in het leger van Napoleon.

Toen Napoleon in 1813 verdreven werd, werd het Koninkrijk der Nederlanden opgericht door Koning Willem I. De voorbereidingen van deze nieuwe staat werden verricht door het driemanschap, bestaande uit Van Limburg Stirum, Van Hoogendorp en Van der Duyn van Maasdam. Deze wet werd in 1814 ingevoerd, grotendeels werden de bepalingen overgenomen van de conscriptie van Napeleon. Zo ontstond in 1814 de Nationale Militie.


Dienstplicht

In 1811 voerde Napoleon in Nederland de dienstplicht in omdat hij in eigen land niet genoeg manschappen kon rekruteren. Iedere jongeman tussen de 18 en 19 jaar kreeg een oproep om zich te laten inschrijven in de gemeente waar zijn ouders woonden. In het inschrijfregister werden onder meer geboortedatum en -plaats, beroep en namen van ouders, maten en signalement en eventuele vrijstelling van dienst genoteerd. Elk jaar was er een lotingsdag voor degenen die dat jaar 19 werden of waren geworden.

lotingstrommel (legermuseum Delft)

Een aantal jongemannen moest in dienst, de rest werd vrijgesteld. Gegevens uit het inschrijfregister kwamen voor een deel terecht in het lotingregister, aangevuld met gegevens over lichaamsgebreken b.v. kwade borst, slecht ziend, zweet en platvoeten, broederdienst, regiment, plaatsvervanger, stamboeknummer enzovoorts.
Als een jongeman wilde trouwen, moest hij door een zogenaamd Certificaat aantonen dat hij óf in Militaire Dienst was geweest óf om de een of andere reden vrijgesteld was voor dienst. Dat kon zijn door broederdienst, maar ook door een of ander gebrek of simpelweg ook omdat het lot hem niet aangewezen had voor oproeping.

Een andere mogelijkheid was dat men een nummerwisselaar (iemand met een lotnummer die was uitgeloot, maar voor de ingelote in dienst ging) of een remplaçant vond. Dat betekende wel dat er in de buidel getast moest worden.. nummerwisselaars of remplaçanten lieten zich betalen voor het opknappen van de dienstplicht van anderen.

 

 

 

Op deze website worden acht families beschreven. Van alle dienstplichten van 1811 t/m 1910 staat hieronder een overzicht wat hen tijdens die dienstplicht is overkomen: moesten ze wel of niet in dienst, bij welke afdeling kwamen ze terecht, stelden ze een remplaçant? Vanzelfsprekend zijn er bronnen verdwenen, soms heb ik dus niets terug kunnen vinden. Om te veel optimisme direct de kop in te drukken: van elk gezin hoefde er maar één jongen in dienst: de rest had broederdienst. Dat maakt de spoeling dus dun.

Klik op de button om te zien wie van deze familie in dienst geweest is